Gedichten

Evenaarsmonoloog

Blijf nog even plakken als kauwgom onder mijn schoenen, laat de wereld getemperd door mijn zolen heen komen. Ik wacht op je bij de kade met een fles rode wijn. Onze bloedvaten zullen wijder worden zodat het hart niet pompt maar proost. En de wind. De wind vangen wij in zeilen. Ik wil met je varen. Er is tenslotte meer water dan land op deze aarde. Laten we tijd rekken door reizen over zee. Waterkoud is een gevoelstemperatuur maar wij geven elkaar koorts. Het liefste zou ik als een aspirine uiteen vallen, in jou willen oplossen, onze temperatuur naar 37 graden dwingen zodat we verder kunnen gaan. We hebben zoveel continenten in ons hoofd, liggend op talen en rekensommen. De tafels van tien die ook bij jou aan de wc-deur hangen. Zoveel verschillen we niet, al is mijn wereld verdubbeld sinds ik jou ken en leer jij het werelddeel in mij.

Elke ochtend schroef jij de douchekop naar beneden om het water eerder mijn hoofdhuid te laten raken. Zo raak je mij steeds. Sinds ik jou ken ben ik een ochtendmens geworden. Ik wil niets van je missen. Je rossige haren, tal van moedervlekken, pianovingers. Ik houd ze vast, stevig en soms laat je los. Geef je mij de ruimte om te zoeken wat ik nog niet wist. Je wacht op mij. Al kom ik zonder souvenirs terug, missen er wieltjes onder jouw koffer. Zo kom ik terug met jouw koffer. De buitenkant beplakt met stickers van landen. De binnenkant ruikt naar jou maar niet genoeg. Ik wil je dichterbij mij houden dan de voering van de koffer.

Laten we gaan. Alles verloopt in tijd. Laten we spelen met onze tijdzones. Ik laat je mijn bergen en valleien zien. Jij de plekken waar ik met een snowboard naar beneden kan. We kennen onze verhoudingen, slijpen ze bij zodat we in elkaar passen als matroesjka’s. Geen van ons wil het laatste laagje zijn. Mijn ogen zijn groter dan die van jou. Jouw haren zijn dikker. Jouw huid is bleker, de mijne kan langer in de zon. We kunnen niet kiezen dan dat ik jou omhels en jij mij. Mochten onze laagjes gaan rimpelen, wij centimeters krimpen. De zwaartekracht bepaalt uiteindelijk de vorm hoe wij gaan. Laten we dan niet alleen gaan. Wij kwamen van ver, reizen over water tot we elkaar loslaten.

Tropenrooster

IJsberen lopen door je hoofd. Er kraakt niets.
Steden waaraan je denkt smelten, zoveel straten
passen niet door je traanbuizen heen.

Er lekt een register uit je ogen. Je noemt hun namen,
boort gaten in willekeurige bomen. Hars lekt een laagje

op je handen als ik je aanraak voel je mij niet plakken.
Een witte vacht ligt over je hersens heen.

Noorse hartschelp

Dagen langs de vloedlijn
in grof schelpmateriaal geploegd
in een visnet verstrikt geraakt,
maar ergens moet je hier zijn
tussen eb en vloed, de zee
trekt zich terug. Een hond pist
naast je op het strand. Een mossel,
kokkel, wadslak spoelen aan.
Ik meet de dikte van de ribben
de afstand er tussen, hoe vaak
moet ik je verwarren met een ander
tot ik je verzamelen kan.

 

DW B – Vintage

Rapsodie in blauw

Lauwwarm is je borstkas,
zuurstofarme aders blauw in de brochure.

Een bromvlieg landt op je beurse plek,
sinds wanneer ben je rottend vlees geworden?

De wipwap die je omhoog lanceerde
zonder het gewicht van de ander te wegen.

Je bewoog, wisselde lucht en grond af,
een halve autoband ving het verschil op.

 

Zo gaaf om mee te mogen werken aan het tijdschrift DW B – Vintage. Vijf vinylplaatgedichten van mij zijn erin gepubliceerd. Op basis van de muziek schreef ik met poscastiften gedichten op de lp’s.

Regenplas

Opa zwemt in de zee als hij aan Ceylon denkt
tussen kwallen verdrink je niet in je verdriet.

Ik dans met mijn vader op muziek van zijn lp’s,
wanneer ze blijven hangen denk ik aan kwallen.

Ik vraag opa of ik op de regen kan staan.
Nee, zegt hij, het druipt vanzelf van je af.

Maar ik weet het zeker: onder mijn laarzen
voel ik een druppel zitten.

 

1 2 3 18  Scroll to top